Stemoefeningen



Vormelementen ten aanzien van stemgebruik


Volume:

Groot volume (hard) - klein volume (zacht)
Constant volume - afwisselend volume
Groeiend in volume (crescendo) - afnemend in volume (decrescendo)

Tijd:

Snel - langzaam
Constant tempo - Wisselende tempi
Korte klanken - lange klanken
In metrum (in bepaalde maatsoort) - zonder metrum
Strak in de maat - vrij in maat
Ritmisch - a-ritmisch

Toonhoogte:

Hoog - midden - laag (absoluut of geldend voor betreffende stem)
Monotoon (eentonig) - melodieus (afwisselend in toonhoogte)

Klankkleur:

Helder (met valse lucht / hees / omfloerst / gevioleerd) - gebroken (meerdere tonen in een klank)
Met vibrato - zonder vibrato
Vol (met resonans) - vlak (zonder resonans)
Geplaatst in buikregister / borstregister / kopregister / fluitregister
Nasaal
Open stemgeving - geknepen stemgeving
Stemhebbend - niet stemhebbend - stemgevend op de inademing

Adem:

Gelijkmatig - ongelijkmatig
Gecontroleerd - ongecontroleerd
Hoge adem - lage adem
Hoorbare inademing - onhoorbare inademing

Articulatie:

Actieve articulatie / luie articulatie / ongearticuleerd / speciale kenmerken
Voor in de mond geplaatst (duidelijk) - binnensmonds (onduidelijk)

Ruimte:

Gericht - ongericht
Met galm - zonder galm (stomp)

Overige:

Gesproken - gezongen
Eenstemmig (unisono) - meerstemmig (polyfoon)
Op de toon (zuiver) - naast de toon (vals)
Grotesk (bombastisch) - sober (ingetogen)
Gebruikmakend van bestaande taal - gebruikmakend van fantasietaal (of louter klank)
Geïmproviseerd - voorgeschreven
Gestileerd - ongestileerd
Gefraseerd - ongefraseerd
Met boventonen - zonder boventonen